Gieren… minder in nesten

Er vliegen weer monniksgieren rond in Bulgarije. Fantastisch nieuws voor een soort waarvoor we voor het laatste broedgeval in die regio vijftig jaar terug moeten in de tijd. Na jaren van voorbereiding is in de zomer van 2018 de eerste stap gezet in het opzetten van nieuwe broedkolonies in dit land. Als stamboekhouder en coördinator van het Europese kweekprogramma spelen ZOO Antwerpen en ZOO Planckendael een leidende rol in het herstel van monniksgieren in de natuur. Dieren die eerder dit jaar werden geboren in een Tsjechische en Letse dierentuin vliegen bijvoorbeeld sinds kort met onze hulp rond in Bulgarije. Nu is het aan hen. Hopelijk vinden de monniksgieren snel een geschikte partner en een broedplaats om zo het begin te zijn van een nieuwe Bulgaarse populatie. 

Hoe verloopt het onderzoek concreet?

In heel Zuid-Europa zijn in de voorbije eeuwen monniksgieren verdwenen door jacht en vergiftiging. Samen met verschillende natuurbeschermingsorganisaties proberen we de monniksgier in zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied terug te brengen. Voor het lokaliseren van de plekken waar geen monniksgieren meer leven, doen wij al jarenlang wetenschappelijk onderzoek. Dat onderzoek leidde eerder al tot herintroducties in onder meer Frankrijk en Spanje. Voortbouwend op dat succes werd ook in Bulgarije gewerkt volgens het zogenaamde hacking-principe. Dat houdt in dat jonge vogels die in dierentuinen op het punt staan om uit te vliegen, overgebracht worden naar het uitzetgebied en daar op een kunstnest, of een hacking-platform, geplaatst worden. Vervolgens worden ze vanop afstand gemonitord. Jonge vogels, die zich makkelijker fixeren of erg trouw zijn aan een bepaalde plaats, zijn het cruciale onderdeel binnen deze herintroductiestrategie.

De uitgezette dieren zijn voorzien van technische snufjes waardoor we hen langere tijd kunnen volgen

Het werk houdt niet op bij het loslaten van monniksgieren. De uitgezette dieren zijn voorzien van verschillende technische snufjes die het mogelijk maken hen voor langere tijd op te volgen. Bij het uitzetten van de jonge gieren worden enkele vleugelpennen gebleekt zodat de vogels een uniek patroon krijgen dat te zien is vanop de grond als ze overvliegen.

Ze worden ook op verschillende manieren geringd. Naast een grotere plastic ring met een code die makkelijke afleesbaar is op voederplaatsen - maar die ze ook soms verliezen - dragen ze ook een metalen ring. Die informatie kan alleen bekeken worden op kortere afstand, bij dieren die bijvoorbeeld dood worden teruggevonden. Zelfs satellietzenders op zonne-energie vertellen quasi-live waar een dier zich de eerste vier jaar van zijn leven ophoudt. Die laatste bron aan informatie laat trouwens ook toe om snel in te grijpen, mocht er toch iets fout lopen met één van de dieren, wat gelukkig niet al te vaak gebeurt.

Hoe heeft het onderzoek impact? 

Op dit moment hebben we weinig zicht op hoe reproductief actief de uitgezette dieren zijn. Gelukkig is er nog één extra tool waar we gebruik van kunnen maken om daar iets meer inzicht in te krijgen: DNA, de genetische code die wordt doorgegeven van ouder op nakomeling. Lokale biologen verzamelen jaarlijks, zelfs in de moeilijkst bereikbare nesten, veerstalen van nieuwe jongen. Voor eerder uitgezette monniksgieren in Frankrijk worden deze stalen sinds kort rechtstreeks opgestuurd naar de labo’s van het Centre for Research and Conservation (CRC), de wetenschappelijke afdeling van ZOO Antwerpen en ZOO Planckendael. Wij halen DNA uit de veren en analyseren wie de ouders zijn van de nieuwe generatie monniksgieren. Er bestaat zelfs een stamboom van de volledige Franse populatie die nu naar zijn derde generatie gaat. Ook met onze Bulgaarse collega’s willen we iets soortgelijks opzetten.

DNA-stalen worden rechtstreeks opgestuurd naar onze labo’s voor verder onderzoek

Momenteel wordt de Franse stamboom in detail door ons onderzocht, met de hulp van onze Franse collega’s. De centrale vraag is: hoe kunnen we de informatie gebruiken om onze herintroductiestrategie in de toekomst nog verder te verbeteren. Lossen we best evenveel mannetjes als vrouwtjes of slechts één van beide geslachten? Wanneer kunnen we stoppen met het herintroduceren op een bepaalde locatie en ons richten op een nieuwe uitzetplek? Maar ook: hoe monogaam zijn deze monniksgieren eigenlijk? Op dit moment zijn er alvast aanwijzingen dat de monogamie onder monniksgieren niet zo strikt is als eerder beschreven.

Daarnaast kijken we naar evoluties in de genetische diversiteit, een belangrijke graadmeter voor de gezondheid van een populatie. Je zou de vergelijking kunnen maken met een gereedschapskist. Hoe meer tools de kist bevat, of hoe diverser deze is, hoe groter de kans dat je het geschikte gereedschap hebt om een klus te klaren. Het biologische equivalent hiervan: dieren die zich weten aan te passen na een verandering in de omgeving zoals een verhoging van de gemiddelde temperatuur tijdens het broedseizoen of het optreden van een nieuwe virus. Alleen populaties die de juiste genetische tools hebben, zullen zich kunnen handhaven.